Vanaf
circa 1500 tot de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 leefde Harderwijk
voor een belangrijk deel van de visvangst. Vissers vingen vooral haring,
bot, garnalen, spiering en ansjovis.
Door de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 veranderde het zoute water van
de Zuiderzee van brak in zoet. De visstand werd nu bepaald door paling en
snoekbaars.
Na het gedeeltelijke droogleggen van de Zuiderzee en de aanleg van de polder
Flevoland was Harderwijk definitief afgesneden van het open water. De vloot
van geregistreerde Harderwijker schepen slonk van 170 naar 5!
Na de afsluiting van de Zuiderzee moesten veel vissers ander werk zoeken. Velen van hen begonnen met het houden van eenden. Voor sommige Harderwijkers is de herinnering aan de geur van deze eendenhouderijen nog heel levendig...
Al voor de komst van de Afsluitdijk waarschuwde de Harderwijker Eibert
den Herder deze dijk het einde van de Harderwijker visserij zou kunnen gaan
betekenen.
In 1925 richtte hij de Holland-Veluwelijn op. Met een stoomschip, een ouderwetse
raderboot, onderhield hij een lijndienst tussen Amsterdam en Harderwijk.
Eibert begreep dat als de visserij zou eindigen, Harderwijk zich moest toeleggen
op andere middelen van bestaan, met name op de ontwikkeling van het toerisme.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog schilderde hij bijna honderd taferelen op alle materiaal wat hij tegenkwam en met alle soorten technieken en verf. Zo wilde hij de herinnering aan de visserij levend houden. Met een kunstwerk bij de Scheepssingel wordt hij tegenwoordig herdacht.