Tijdens
de Eerste Wereldoorlog vluchtten vele Belgen naar het neutrale Nederland.
Om de gewapende militairen onder hen op te vangen verrezen twee kampen in
Zeist en in Harderwijk. Ongeveer 14.500 Belgen kwamen zo in Harderwijk terecht.
De eerste groep Belgen werd ondergebracht in kazernes en in de Grote Kerk.
Om de grote stroom daarna op te vangen werd in oktober buiten het centrum
een tentenkamp ingericht, in het latere Harderwijker Bos. In december volgden
50 houten barakken voor elk 250 mensen.
Het interneringskamp groeide uit tot echte stad met o.a.winkels, restaurants,
schoollokalen, een postkantoor, een kerkgebouw, een schouwburg, een bioscoop
en zelfs een wielerbaan. De circa 7.500 Harderwijkers verdienden goed aan
dit kamp.
Nederlandse en Belgische vluchtelingencomités verzorgden cursussen.
Een alfabetiseringscampagne leerden 5.968 mensen lezen en schrijven. Geïnterneerden
stichtten zelf toneel-: muziek- en sportverenigingen.
Toch waren de levensomstandigheden erbarmelijk: geen verwarming of privacy in de barakken, ontoereikend sanitair, slechte hygiëne, ongedierte, en weinig voedsel. Reuma, bronchitis, longontsteking en tuberculose, maar ook epidemieën van mazelen, nekkramp, tyfus, cholera en Spaanse griep zorgden voor vele zieken.
Halverwege de oorlog stond de Nederlandse regering gezinshereniging toe.
Ongeveer 500 families van de militairen kwamen in de nabij gelegen kampen
'Leopoldsdorp' en 'Heidekamp' te wonen. In december 1918 keerden de meeste
Belgen terug naar huis. 553 van hen stierven tijdens hun verblijf in Nederland,
Zij zijn o.a. begraven op het Belgisch Ereveld in Harderwijk.